dinsdag 19 juni 2012

Beleidsvoorstel

Hierbij een beleidsvoorstel rond de in ontwikkeling zijnde jeugdzorg, met name aandacht voor de overgang qua kwaliteit tussen het vrijwillig kader aan zorg en de gedwongen maatregelen. Ook nu werkt het BJZ ondermaats, hetwelk een kind kan schaden of bedreigen.

Omdat de a.s Wet zorg voor jeugd  nog veel onduidelijkheden kent, de kwaliteit nog diffuus gedefinieerd is, doe ik u dit hierbij toekomen tot meer duidelijkheid voor uw gemeenten voorstellen qua structuur, die nu ook aan zowel VWS als Veiligheid&Justitie zijn gestuurd.

Onder ouders heerst onrust over de als te ondeskundig ervaren macht van de jeugdzorg-indiceerder. Het gezamenlijke knelpunt is dat Bureaus jeugdzorg niet alleen heten te indiceren, maar ook de overgang naar gedwongen maatregelen vertegenwoordigen.

Centra voor jeugd en gezin dreigen dat met nog minder normering te mogen gaan doen.
Omdat kinderbeschermende maatregelen ook ernstig negatieve effecten op de ontwikkeling van het kind hebben, is een radicalere bezinning op de jeugdzorgstructuur noodzakelijk.

Vooral waar het de indicatie tot gedwongen maatregelen betreft. De wetenschap buiten het directe veld van Bureaus jeugdzorg, buiten de signalen die door slechts sociaal werkers in BJZ worden doorgegeven, wijzen op een oplossing.

Mocht er sprake zijn van een vermoeden tot (ernstige) bedreiging van zedelijke of geestelijke belangen van het kind, waarbij de vraag kan worden gesteld hoe, door wie, en in welke mate ten opzichte van de verdere meer fundamentele belangen van het kind zoals gehechtheid en de (latere) wil de eigen ouders te ‘kennen’, dan zou het ‘onderzoek’ niet overgelaten dienen te worden aan het inzichtvermogen van sociaal werkers –werkzaam in BJZ of CJG–, doch is diagnose nodig naar de WGBO (BW6:446 e.v. in verband met het kinderrecht IVRK artikel 24).

Zo indiceert een huisarts en verwijst door naar een toegesneden specialist wanneer het probleem niet volledig binnen zijn kennisgebied valt. Een gedwongen maatregel is zo zwaar dat het valt te vergelijken met een operatie, dat door een specialist-chirurg gedaan wordt.

Voorstellen

Ons voorstel is het onderzoek tot OTS en erger enkel over te laten aan de Raad voor de
kinderbescherming, met enkele voorwaarden:

De Raad dient vermeend onderzoek van AMK of BJZ of CJG met meer deskundigheid over te
doen en de aan de Raad verstrekte gegevens te controleren op feitelijkheid en consequentie ten aanzien van het integrale ontwikkelingsbelang van het kind (gehechtheid, ‘kennen’ van
genetische afkomst; voorkomen van verlatenheidssyndroom, loyaliteitsconflicten, minderwaardigheidscomplexen, PAS);

De Raad dient daarbij een hoogwaardig (beroepsgeregistreerd), toegesneden diagnost te
betrekken (die werkt onder diens beroepsethiek, dus de cliënt ziet); - de Raad dient dit onderzoek onder normering en regelgeving te betrachten,
- opdat er zo nodig met tuchtrecht gewogen kan worden;
- Ook de behandelend Raadsmedewerker dient onder dit tuchtrecht te vallen;

De Raadsvertegenwoordiger dient op een rechtszitting kennis te hebben van de onderliggende
case, kunnen uitleggen, en onder ede de inzet van de Raad moeten onderbouwen;

De Raad en de rechter dienen ruimte te geven aan de gezinsleden om bij verzet hun inzicht te
motiveren tegenover die van de Raad/indiceerder, waarbij er op diagnostisch rapport of getuigedeskundige (mogelijk de diagnost) een afweging gemaakt kan worden in het integraal
diagnostisch belang van het kind, ook de lange-termijn-effecten van dit belang;
- hetwelk ‘diagnostische waarheidsvinding’ genoemd mag worden (IVRK 24) vanwege verderop genoemde reden.

Eerder heeft de SSF (2004) reeds geadviseerd om tot een zo te noemen ‘Partiële OTS’ te komen, waarbij de light-vorm niet berust op minder onderzoek of gebrek aan valide onderbouwing door de indiceerder, doch op het uitsluiten van inspraakrecht van de bedreigende persoon. Dat hoeft niet een ouder te zijn. We zien dat zelfs een gezinsvoogd de bedreiger van de psychische ontwikkeling van het kind kan zijn. Men kan ook denken aan een persoon uit de buurt of van school.

Inspraakrecht van gewone, betrokken ouders is namelijk bij gewone OTS al ver te zoeken. De vraag om (integrale) diagnose wordt te regelmatig gedwarsboomd door de gezinsvoogd, in de schijn alsof deze het beter weet als sociaal werker; de gedragswetenschapper (genoemd in Uitvoeringsbesluit bij Wjz, artikel 1) ziet de cliënt nìet en bij gevolg-hebbende inbreng overtreedt deze zijn beroepsethische regels; artikel 35 UvbWjz is loos.

Men spreekt al van ‘de macht van de gezinsvoogdij’. Omdat bedreigen van een kind reeds in het strafrecht kan vallen, maakt dat een kinderbeschermingsmaatregel meer via het strafrecht zou moeten worden gewogen. Het uithuis plaatsen van een bedreiger ligt in de lijn.
De jeugdhulp-ingang die de gemeenten gaan organiseren is breed aan problematiek. Niet alle kennis kan  in deze ingang voorhanden zijn. Brede kundigheid is geen toegesneden deskundigheid, specialisme.

Waar bij de ingang van het indiceertraject (veelal CJG) niet de nodige hogere kennis of deskundigheid bestaat tot het onderkennen van te vermoede gedragsproblemen of om deze uit te sluiten, moet deze  ‘ingang’ kunnen doorverwijzen naar een (geregistreerd) diagnost of gespecialiseerd diagnostisch centrum.

Professor dr. R.A.C. Hoksbergen heeft in 20001 reeds een pleidooi gehouden voor oprichting van een stichting Integrale Begeleiding Adoptie- en Pleegzorg (IBAP) om de doelgroep pleeg- en adoptiekinderen van gespecialiseerde kennis te voorzien. Deze ‘deur’ zou ook geschikt zijn voor ‘gewone’ (te onderzoeken) hechtingsgestoorde kinderen, wat de doelgroep voldoende groot maakt. Een diagnostisch rapport is eigenlijk altijd nodig.

Waar gezinsvoogden regelmatig beweren dat een kind al dan niet een hechtingsstoornis heeft en ‘daarom  niet teruggeplaatst kan worden, of juist uithuisgeplaatst moet worden’, zonder valide diagnose, dus gespeend van een diagnòstisch behandelplan, is, tegenover de wetenschappelijke kennis dat de therapie 2 veelal het best gegeven kan worden door de éígen ouders thuis onder begeleiding/intervisie, een drogreden om de rechter te bewerken. Dat is geen ‘zorg’.

1 R.A.C. Hoksbergen, 2000, “Adoptie: een levenslang dilemma?”, Openbaar college, ISBN 90-805430-2-0, pagina 25-26: ‘IBAP
’; en dit is als noodzaak bevestigd door een groot onderzoek Keeping the Promise, S.L. Smith, 2010,
: ‘de reguliere jeugdzorg matcht de kennis niet bij de case’.
2 Hechtingsdeskundige Mw. Dr. J.C.A. Thoomes-Vreugdenhil, http://www.hechtingsproblemen.nl/nl/behandelvormen%20e.v.

In navolging van dit voorstel heeft de SSF geadviseerd om voor andere te onderscheiden doelgroepen ook een eigen toegesneden specialistisch kenniscentrum te creëren.
Men denke aan gespecialiseerde kennis ten bate van kinderen die onder omgangsfrustratie lijden na een  echtscheiding waar een ouder de verwerking van eigen emoties (nog) niet weet te scheiden van het ouder  zijn, de verantwoordelijkheid om deze emoties niet via het hoofd van het kind uit te spelen tegenover de andere ouder. Omgangsfrustratie komt regelmatig voor. Mediation, zo nodig gedwongen cursus tot  inzicht, de mogelijkheid tot begeleide omgang, en hoogwaardiger diagnostiek zijn ook hier belangrijk.

Andere doelgroepen kunnen zijn: AMA’s waar pleegouders het kind vanaf het begin behoren voor te  bereiden om het herkomstland te dienen na scholing (en op gezinshereniging in herkomstland), laag-IQgezinnetjes, gezinnen met allergie voor pedagogische boeken en tips, de zogenaamde multi-problemgezinnen,  het vallen tussen twee culturen, en zo voort.

Gezinsbegeleiding is soms nodig. Nu heet dat gezinsvoogdij en pleegzorg. Men moge als vervanging daarvoor denken aan sociaal werk met inschakeling van een diagnost/deskundige die de cliënt wel ziet,  georganiseerd door de gemeenten. Laat de ondeskundig bevonden of in opspraak verkerende bureaus jeugdzorg verdwijnen, bezuinigend. Om belangen te scheiden dient ook de Raad niet (als tweede taak) een (gezins)voogdij-instelling te worden.

Inschakeling van een specialist zorgt voor een sneller, minder belastend traject voor het kind dat effectiever en dus minder kostbaar is, leidend tot vlottere en toegesneden therapie (op diagnose geënt door een valide behandelplan), en tot snellere oplossing der problemen.
Ouders begeleiden, hen leren, (op diagnostisch en ortho-pedagogisch niveau) is beter dan hen dermate verontrusten dat een ontvankelijk kind lijdt aan de spanning die gezinsvoogdij heden nog opwekt.

Het uithuis geplaatst-zijn is op zich schadelijk voor een kind; het voelt zich jaren lang niet werkelijk veilig in een pleegsituatie, en dat belast zijn psychische ontwikkeling.
De onderbouwing in Plannen van Aanpak en Indicatiebesluiten door bureaus jeugdzorg laten dermate veel te wensen over dat niet enkel de wetenschap onderkent dat dit geen goed doet.

Er zijn zowel advocaten 3 als raadsheren 4, en ook ouderondersteuners en ouderorganisaties, die onderkennen dat er voorop aan ‘diagnostische waarheidsvinding’ dient te worden gedaan.
De Deltamethode wordt geweld aangedaan door het verdraaien en censureren van de inbreng van ouders en kind, en het gebrek aan echte diagnostische kennis op universitair niveau. De systemen in BJZ zijn niet flexibel ten opzichte van een kind en zijn psyche.

 en


onderbouwd op


4 Rond het ‘terugplaats-beleid’ van BJZ herkent raadsheer mr. P. A. J. Th. van Teeffelen van het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch (juristenblad FJR, 10, 2010, p. 248-249) knelpunten. Hij somt 3 knelpunten op in de BJZ-inzet, die door de opbouw der stukken voor een rechtsgeleerde al een waar zoekplaatje oplevert, laat staan voor ouders:

… Voor cliënten lijkt het in een aantal situaties dan ook een gevecht tegen windmolens in plaats van dat de hulp wordt verleend, waar het allemaal om begonnen is. Het derde knelpunt heeft betrekking op de verantwoordingsplicht van Bureau Jeugdzorg. Het bureau heeft er jegens het hof nogal eens zichtbaar moeite mee zich te verantwoorden. Dat kan gemakkelijk leiden tot irritaties over en weer. Voor het hof is het de kunst om hoffelijk te blijven, ook al heb je soms grote problemen met de wijze waarop door het bureau in het verleden is gewerkt. Doordat er soms in een jaar weinig structureel aan een bepaalde zaak is gewerkt, ontstaat in het vraaggesprek nogal eens een pijnlijke situatie. Het bureau wil dan nogal eens een houding aannemen van: ‘wij weten het beter en u begrijpt niets van ons vak.’...
[Bij BJZ] is er weinig animo tot terugplaatsing. Uiteraard krijgen we als hof regelmatig die situatie ter beoordeling en een fatsoenlijk antwoord op onze vraag naar de inspanningen die worden gedaan om het kind terug te plaatsen bij de ouders krijgen we lang niet altijd. Ouders stellen de vraag wat zij moeten doen om de kinderen weer terug thuis te krijgen en krijgen daarop geen antwoord of worden min of meer met een kluitje in het riet  gestuurd. … Onwillekeurig rijst dan de vraag nogal eens: ‘is het bureau er voor de cliënten of zijn de cliënten er voor het bureau?’(Citaten).

Mocht er sprake zijn van noodzaak tot uithuisplaatsen, dan dient dat echt na bewezen falen van gediagnosticeerde trajecten of bij de dood van de ouders. Een familieplaatsing dient dan de voorkeur.

Wij bevelen waar nodig een opvoedcursus of VIB aan. Het argument dat dit niet helpt, is in de wereld gekomen omdat het niet als interessant en leuk (want er wordt ook gelachen) overgebracht wordt door het alwetende BJZ, doch als ‘stoute plicht’. Domme dwang helpt zeker niet, maar uitleggend, vriendelijk deskundig en positief stimuleren kan werken. Enthousiasmeren is een vak. Uw ‘klik’?

Binnen de ontwikkeling van het kind behoren dus ook de belangen zoals familieband, bekende omgeving, het uiteindelijk kennen van zijn ouders als genetische afkomst, loyaliteitsgevoel, eigen veiligheidsbeleven (vanuit het kind gezien dat zijn wereld- en zelfbeeld nog aan het opbouwen is), en zo voort, en waar zo weinig rekening mee gehouden wordt bij bureaus jeugdzorg.

Het is de vraag waarom de zorg aan kinderen niet op het niveau WGBO ligt zoals bij volwassenen. Het rapport ‘909 zorgen’ (N.W. Slot et al) meldt dat 72% van de OTS-sen na 2 jaar niet tot verbetering heeft geleid.

Waar is OTS voor bedoeld?

OTS is geen zorg en geen ‘veiligheid’.

Uithuis plaatsen is geen therapie, maar vaak onnodig schadend.

T.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen