donderdag 9 augustus 2012

Voorstellen tot echte bescherming van de jeugd




Op http://jeugdzorg-darkhorse.blogspot.nl/2012/08/tuchtcollege-voor-jeugdzorgers.html staat een voorwaarden scheppende aandacht voor de in ontwikkeling zijnde jeugdzorg, met name aandacht voor (qua kwaliteit) de overgang tussen het vrijwillig kader aan zorg voor jeugd en de gedwongen maatregelen.




Ondermaats

Nu werkt het BJZ ondermaats, hetwelk een kind kan schaden of bedreigen. BJZ dient te verdwijnen, want het voegt niets toe aan juiste hulp voor het kind en niets aan veiligheid voor en door het kind.
  
Omdat de a.s. Wet zorg voor jeugd nog veel onduidelijkheden kent, de kwaliteit nog diffuus gedefinieerd is, is het belangrijk dat GEMEENTEN meer duidelijkheid krijgen of scheppen bij het aanbrengen van structuur in jeugdhulpverlening. Een zorg die nu bij zowel VWS (vrijwillige hulp) als Veiligheid&Justitie (overgang naar gedwongen beschermingsmaatregelen) ligt.



Onrust

   Onder ouders heerst onrust over de als te ondeskundig ervaren macht van de jeugdzorg-indiceerder.

Het gezamenlijke knelpunt is dat Bureaus jeugdzorg niet alleen heten te indiceren, maar ook de overgang naar gedwongen maatregelen vertegenwoordigen. Ze schotten de doorverwijzing naar een diagnost af, waar prof. RJ. van der Gaag, Nijmegen, stelde dat de jeugdzorg moet worden ontschot: ‘het belang van de jongeren en hun omgeving moet prevaleren boven de bureaucratische belangen (bezettingsgraden onder gedwongen maatregel) van de huidige starre systemen.’

Hij ‘pleit voor “kinder- en jeugdpsychiaters (en orthopedagoog-generalisten voor tests) als diagnostische zwaargewichten” aan de poort (niet BJZ) die bij de triage helpen om lange, frustrerende en mislukte hulpverleningsprocessen te voorkomen. Schotten tussen de hulpverleningssectoren (BJZ t/o. diagnost) moeten geslecht worden. Opleiden van mobiele en meer flexibelle jeugdpsychiaters.’

Centra voor Jeugd en Gezin


Centra voor jeugd en gezin dreigen die overgang met nog minder normering te mogen gaan doen dan nu het geval is. Omdat kinderbeschermende maatregelen ook ernstig negatieve effecten op de ontwikkeling van het kind hebben, is een radicalere bezinning op de jeugdzorgstructuur noodzakelijk. Enkel een genormeerde Raad voor de Kinderbescherming zou nog onderzoek mogen verrichten onder voorwaarden naar een kinderbeschermingsmaatregel.

http://jeugdzorg-darkhorse.blogspot.nl/2012/06/een-voorstel.html
  
Vooral waar het de indicatie tot gedwongen maatregelen betreft, is degelijk onderzoek nodig om het kind niet te schaden. De wetenschap buiten het directe veld van Bureaus jeugdzorg, buiten de signalen die door slechts sociaal werkers in BJZ worden doorgegeven, wijzen op een oplossing.

Mocht er sprake zijn van een vermoeden tot (ernstige) bedreiging van zedelijke of geestelijke belangen van het kind, waarbij de vraag kan worden gesteld hoe, door wie, en in welke mate ten opzichte van de verdere meer fundamentele belangen van het kind zoals gehechtheid en de (latere) wil de eigen ouders te ‘kennen’, dan zou het ‘onderzoek’ niet overgelaten dienen te worden aan het inzichtvermogen van sociaal werkers –werkzaam in BJZ of CJG–, doch is diagnose nodig naar de WGBO (BW6:446 e.v. in verband met het kinderrecht IVRK artikel 24 op het recht van hoogwaardige (ook psychische) gezondheidszorg; dat is sociaal werk of BJZ niet!


Zo indiceert een huisarts en verwijst door naar een toegesneden specialist wanneer het probleem niet volledig binnen zijn kennisgebied valt. Een gedwongen maatregel is zo zwaar dat het valt te vergelijken met een operatie, dat door een specialist-chirurg gedaan wordt.

Voorstellen tot echte beschermen van jeugd:

Een belangrijk voorstel is het onderzoek tot OTS en erger enkel over te laten aan de Raad voor de kinderbescherming, met enkele voorwaarden:

- De Raad dient vermeend onderzoek van AMK of BJZ of CJG met meer deskundigheid over te doen en de aan de Raad verstrekte gegevens te controleren op feitelijkheid en consequentie ten aanzien van het integrale ontwikkelingsbelang van het kind (gehechtheid, ‘kennen’ van genetische afkomst; voorkomen van verlatenheidssyndroom, loyaliteitsconflicten, minderwaardigheidscomplexen, PAS);
- De Raad dient daarbij een hoogwaardig (beroepsgeregistreerd), toegesneden diagnost te betrekken (die werkt onder diens beroepsethiek, dus de cliënt ziet);

- De Raad dient dit onderzoek onder normering en regelgeving te betrachten,
- opdat er zo nodig met tuchtrecht gewogen kan worden;
- Ook de behandelend Raadsmedewerker dient onder dit tuchtrecht te vallen;

- De Raadsvertegenwoordiger dient op een rechtszitting kennis te hebben van de voorliggende case, kunnen uitleggen, en onder ede de inzet van de Raad moeten onderbouwen;

- De Raad en de rechter dienen ruimte te geven aan de gezinsleden om bij verzet hun inzicht te motiveren tegenover die van de Raad/indiceerder, waarbij er op diagnostisch rapport of getuige-deskundige (mogelijk de diagnost) een afweging gemaakt kan worden in het integraal diagnostisch belang van het kind, óók de lange-termijn-effecten van dit belang,
- hetwelk ‘diagnostische waarheidsvinding’ genoemd mag worden (IVRK 24) vanwege verderop genoemde reden.

Ouders bepalen

De ouders mogen bepalen of de familierechtszitting (deels) openbaar mag zijn; dit om een getuige of een deskundige die tegen de inzet van BJZ/RvdK kan getuigen, of een kwaliteitsbewakend journalist opdat niet alleen de ene partij (BJZ/RvdK) het woord mag doen.

Het EVRM bepaalt in artikel 6 dat zowel het gezin als het kind juridisch mag worden bijgestaan en onderbouwing mag leveren. Dit is al nauwelijks het geval waar BJZ slechts gedeeltelijke inzage geeft aan ouders in dossiers waarop een gevolg-hebbende beslissing is genomen (‘Beide partijen moeten in proces over alle stukken kunnen beschikken’: McMichael-arrest 24-02-1995 EHRM).  
Eerder heeft het platform SCJF (2004) reeds geadviseerd om tot een zo te noemen ‘Partiële OTS’ te komen, waarbij de light-vorm niet berust op minder onderzoek of gebrek aan valide onderbouwing door de indiceerder, doch op het uitsluiten van inspraakrecht van de bedreigende persoon. Dat hoeft niet een ouder te zijn. We zien dat zelfs een gezinsvoogd de bedreiger van de psychische ontwikkeling van het kind kan zijn. Men kan ook denken aan een persoon uit de buurt of van school. (Daarom is het ‘uithuisplaatsen’ van de bedreiger met een huis- of straatverbod beter dan het kind te traumatiseren door een UHP.)

Inspraakrecht

Inspraakrecht van gewone, betrokken ouders is namelijk in de praktijk bij gewone OTS al vèr te zoeken. De vraag om (integrale) diagnose wordt te regelmatig gedwarsboomd door de gezinsvoogd, in de schijn alsof deze het beter weet als sociaal werker; de gedragswetenschapper in het BJZ-team (genoemd in Uitvoeringsbesluit bij Wjz, artikel 1) ziet de cliënt nìet en bij gevolg-hebbende inbreng overtreedt deze zijn beroepsethische regels; en artikel 35 UvbWjz is loos.

 Men spreekt al van ‘de macht van de gezinsvoogdij’
http://jeugdzorg-darkhorse.blogspot.nl/2012/03/praat-mee-over-de-macht-van-de.html

Omdat bedreigen van een kind reeds in het strafrecht kan vallen, maakt dat een kinderbeschermingsmaatregel meer via het strafrecht zou moeten worden gewogen. Een melding bij het O.M., de Officier van Justitie, ligt in de rede. Het ‘uithuisplaatsen’ van een bedreiger ligt in de lijn.

De jeugdhulp-ingang die de gemeenten gaan organiseren is breed aan problematiek. Niet alle kennis kan in deze ingang voorhanden zijn. Brede kundigheid is geen toegesneden deskundigheid, specialisme. Doorverwijzen naar een diagnost moet haast wel, maar kan een sociaal werker in een CJG wel een gedragsprobleem onderkennen om te indiceren? Want zonder indicatie komt men niet bij de juiste diagnost.

Waar bij de ingang van het indiceertraject (veelal CJG) niet de nodige hogere, diepere kennis of deskundigheid bestaat tot het onderkennen van te vermoede gedragsproblemen of om deze uit te sluiten, moet deze ‘ingang’ doorverwijzen naar een (geregistreerd) diagnost of gespecialiseerd diagnostisch centrum, of waar nodig naar een schuldsaneringsdeskundige of orthopedagoog-generalist.

Professor Hoksbergen

Professor dr. R.A.C. Hoksbergen heeft in 2000 noot 1 reeds een pleidooi gehouden voor oprichting van een stichting Integrale Begeleiding Adoptie- en Pleegzorg (IBAP) om de doelgroep pleeg- en adoptiekinderen van gespecialiseerde kennis te laten voorzien. Deze ‘deur’ zou ook geschikt zijn voor ‘gewone’ (te onderzoeken) hechtingsgestoorde kinderen, wat de doelgroep voldoende groot maakt. Een diagnostisch rapport is eigenlijk altijd nodig.

In navolging van deze ‘deur’ kunnen er meerdere gespecialiseerde ‘deuren’ worden gecreëerd voor andere doelgroepen. Men denke aan de ellende van omgangsfrustratie en loyaliteitsproblemen voor een kind, waar een gescheiden, verzorgende ouder de eigen emoties niet heeft verwerkt en die over het hoofd van het kind reageert en uitspeelt. Maar ook AMA’s hebben een eigen deskundigheid van node. Of multi-problemgezinnen, of zwakzinnige gezinnen, gezinnen met een allergie tegen moderne pedagogische inzichten en niets daarover wìllen lezen.

1 R.A.C. Hoksbergen, 2000, “Adoptie: een levenslang dilemma?”, Openbaar college, ISBN 90-805430-2-0, pagina 25-26: ‘IBAP’; en dit is als noodzaak bevestigd door een groot onderzoek Keeping the Promise, S.L. Smith, 2010,

http://dl.dropbox.com/u/2479159/Keeping%20the%20Promise-%20VERTALING%20-summary.pdf: ‘de reguliere jeugdzorg matcht de kennis niet bij de case’.

Hechtingsstoornis

Waar gezinsvoogden (BJZ) regelmatig beweren dat een kind al dan niet een hechtingsstoornis heeft en ‘daarom niet teruggeplaatst kan worden, of juist uithuisgeplaatst moet worden’, zonder valide diagnose, dus gespeend van een diagnòstisch behandelplan, is, tegenover de wetenschappelijke kennis dat de therapie noot 2 veelal het best gegeven kan worden door de éígen ouders thuis onder begeleiding/intervisie, een drogreden om de rechter te bewerken. Dat is geen ‘zorg’.

2 Hechtingsdeskundige Mw. Dr. J.C.A. Thoomes-Vreugdenhil, http://www.hechtingsproblemen.nl/nl/behandelvormen%20e.v.

In navolging van dit voorstel is advies gegeven aan de politiek om voor andere te onderscheiden doelgroepen ook een eigen toegesneden specialistisch kennis­centrum te creëren. We zagen dat de politiek doordendert op ingeslagen weg en slechts aan incidentenpolitiek doet, de lobby van BJZ volgt, en geen effectieve veranderingen in wetgeving wenst aan te brengen. Zien we: een centrum (i.p.v. BJZ) met gespecialiseerde kennis ten bate van kinderen die onder omgangsfrustratie lijden na een echtscheiding waar een ouder de verwerking van eigen emoties (nog) niet weet te scheiden van het ouder-zijn, de verantwoordelijkheid om deze emoties niet via het hoofd van het kind uit te spelen tegenover de andere ouder? Omgangs­frustratie komt erg regelmatig voor. Mediation, zo nodig gedwongen cursus tot inzicht, de mogelijkheid tot begeleide omgang, en hoogwaardiger diagnostiek zijn ook hier belangrijk.
  
Zien we andere doelgroepen-centra zoals voor: AMA’s waar pleegouders het kind vanaf het begin behoren voor te bereiden om later in het herkomstland te dienen na scholing (en op gezinshereniging in herkomstland), zien we deskundigencentra voor laag-IQ-gezinnetjes, voor gezinnen met allergie voor pedagogische boeken en tips, voor de zogenaamde multi-problemgezinnen, voor bij het vallen tussen twee culturen, en zo voort?

  
Gezinsbegeleiding

Gezinsbegeleiding is soms nodig. Nu heet dat gezinsvoogdij en pleegzorg. Men moge als vervanging daarvoor denken aan sociaal werk met verplichte inschakeling van een diagnost/deskundige die de cliënt wel ziet en verantwoordelijk is, georganiseerd door de gemeenten. Laat de ondeskundig bevonden of in opspraak verkerende bureaus jeugdzorg verdwijnen, bezuinigend. Om belangen te scheiden dient ook de Raad niet (als tweede taak) een (gezins)voogdij-instelling te worden.
Inschakeling van een specialist zorgt voor een sneller, minder belastend traject voor het kind dat effectiever en dus minder kostbaar is, leidend tot vlottere en toegesneden therapie (op diagnose geënt door een valide behandelplan), en tot snellere oplossing der problemen.

Ouders begeleiden, hen leren, (op diagnostisch en ortho-pedagogisch niveau) is beter dan hen dermate verontrusten dat een ontvankelijk kind lijdt aan de spanning die gezinsvoogdij heden nog opwekt in het gezin.
Het uithuis geplaatst-zijn is op zich schadelijk voor een kind; het voelt zich (>5) jaren lang niet werkelijk veilig in een pleegsituatie, en dat belast zijn psychische ontwikkeling.

Plan van Aanpak

De onderbouwing in Plannen van Aanpak en Indicatiebesluiten door Bureaus jeugdzorg laten dermate veel te wensen over dat niet enkel de wetenschap onderkent dat dit geen goed doet.

Er zijn zowel advocaten noot 3 als raadsheren noot 4, en ook ouderondersteuners en ouderorganisaties, die onderkennen dat er voorop aan ‘diagnostische waarheidsvinding’ dient te worden gedaan.

3   http://www.peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS.OPENBRIEFEERSTEKAMER.htm en http://www.peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS.Brandbrief.htm , onderbouwd op http://www.peterprinsen.nl/HERZIENINGOTS.WAARHEIDSVINDING.htm.


4   Rond het ‘terugplaats-beleid’ van BJZ herkent raadsheer mr. P. A. J. Th. van Teeffelen van het Gerechtshof te ’s Hertogenbosch (juristenblad FJR, 10, 2010, p. 248-249) knelpunten. Hij somt 3 knelpunten op in de BJZ-inzet, die door de opbouw der stukken voor een rechtsgeleerde al een waar zoekplaatje oplevert, laat staan voor ouders:
   
“… Voor cliënten lijkt het in een aantal situaties dan ook een gevecht tegen windmolens in plaats van dat de hulp wordt verleend, waar het allemaal om begonnen is. Het derde knelpunt heeft betrekking op de verantwoordingsplicht van Bureau Jeugdzorg. Het bureau heeft er jegens het hof nogal eens zichtbaar moeite mee zich te verantwoorden. Dat kan gemakkelijk leiden tot irritaties over en weer. Voor het hof is het de kunst om hoffelijk te blijven, ook al heb je soms grote problemen met de wijze waarop door het bureau in het verleden is gewerkt. Doordat er soms in een jaar weinig structureel aan een bepaalde zaak is gewerkt, ontstaat in het vraaggesprek nogal eens een pijnlijke situatie. Het bureau wil dan nogal eens een houding aannemen van: ‘wij weten het beter en u begrijpt niets van ons vak.’... [Bij BJZ] is er weinig animo tot terugplaatsing. Uiteraard krijgen we als hof regelmatig die situatie ter beoordeling en een fatsoenlijk antwoord op onze vraag naar de inspanningen die worden gedaan om het kind terug te plaatsen bij de ouders krijgen we lang niet altijd. Ouders stellen de vraag wat zij moeten doen om de kinderen weer terug thuis te krijgen en krijgen daarop geen antwoord of worden min of meer met een kluitje in het riet gestuurd. … Onwillekeurig rijst dan de vraag nogal eens: ‘is het bureau er voor de cliënten of zijn de cliënten er voor het bureau?’  (Citaten).  

Deltamethode

De Deltamethode wordt geweld aangedaan door het verdraaien en censureren van de inbreng van ouders en kind, en het gebrek aan echte diagnostische kennis op universitair niveau. Ook het gebrek aan toegang daartoe. De systemen in BJZ zijn niet flexibel ten opzichte van het kind en zijn psyche.
Mocht er sprake zijn van noodzaak tot uithuisplaatsen, dan dient dat (door de RvdK) echt na bewezen falen van gediagnosticeerde trajecten of bij de dood van de ouders. Een familieplaatsing dient dan de voorkeur.

Wij bevelen waar nodig een opvoedcursus of VIB (BasicTrust.com) aan. Het argument dat dit niet helpt, is in de wereld gekomen omdat het niet als interessant en leuk (want er wordt ook gelachen) overgebracht wordt door het alwetende BJZ-werker, doch als ‘stoute plicht’. Domme dwang helpt zeker niet, maar uitleggend, vriendelijk deskundig en positief stimuleren kan werken. Enthousiasmeren is een vak. Uw ‘klik’, mw. Veldhuijzen-van Zanten?

Binnen de ontwikkeling van het kind behoren dus ook de belangen zoals familieband, bekende omgeving, uiteindelijk het kennen van zijn ouders als genetische afkomst, loyaliteitsgevoel, eigen veiligheidsbeleven (vanuit het kind gezien dat zijn wereld- en zelfbeeld nog aan het opbouwen is), en zo voort, en waar zo weinig rekening mee gehouden wordt bij Bureaus jeugdzorg. Een kind is geneigd schuld van OTS of UHP of de gescheiden ouder niet meer te zien of te lage bezoekfrequentie te zoeken bij zichzelf, en dat brengt minderwaardigheidsgevoelens en remmende schaamte tot gevolg.

Het is de vraag waarom de zorg aan kinderen niet op het niveau WGBO ligt zoals bij volwassenen. Het rapport ‘909 zorgen’ (N.W. Slot et al) meldt dat 72% van de OTS-sen na 2 jaar niet tot verbetering heeft geleid. Zelfs 30% tot verslechtering onder toezicht!

Gemeenten moeten echt zorgen voor een landelijke ingang tot doelgroep-specialismen.

Waar is OTS voor bedoeld?
OTS is geen zorg en geen ‘veiligheid’ in de ogen van een kind.
 

Uithuis plaatsen is geen therapie, maar vaak onnodig schadend.



T.



                               Terug naar Alle artikelen Jeugdzorg Dark horse
Chttp://jeugdzorg-darkhorse.blogspot.com/2012/04/alle-artikelen-jeugdzorg-dark-horse.html


1 opmerking:

  1. Fantastisch!
    Ik zie zowaar bij prof. v.d. Gaag mijn eigen idee terug dat ik al meer dan 10 jaar propageer: 'een diagnost aan de poort'! Mijn idee in het kort:
    - Bij eenvoudige opvoedingsproblemen thuis hulp door vrijwilligers zoals bijvoorbeeld nu bij Home-Start door andere ouders gebeurt (HS is echter alleen voor gezinnen met kinderen tot 6 jaar... waarom niet uibreiden??), op ouder-ouder niveau.
    - Bij kind-gerelateerde problemen direct onderzoek door een échte deskundige als ortho-pedagoog-generalist of kinderpsycholoog dan wel kinderpsychiater.

    Voordelen: BJZ kan geheel weg, géén ouder-vernedering door allerlei juridische procedures en gezinnen blijven in stand....
    Voordeel voor de gemeenten: het is VEEL GOEDKOPER en uw burgers zullen u als gemeentebestuur weten te waarderen... ik vrees dat dit minder zal zijn als gemeenten het uit huisplaatsingsbeleid van BJZ voortzetten.

    Opvallend is dat de nieuwe wet Jeugdzorg zodanig geformuleerd is dat BJZ gewoon verder zou kunnen gaan: gemeenten worden 'geacht mensen in dienst te hebben die kennis hebben van....normale ontwikkeling van kinderen... gedragsstoornissen...'. Juist in de formulering 'kennis hebben van' in plaats van 'voor dit soort problemen dien een kinderpsycholoog' of 'arts' ingeschakeld te worden geeft de wetgever aan dat BJZ zich gewoonweg kan opwerpen als 'de deskundige' terwijl het juist zo opvallend is dat die juist geen onderzoek doen en falen in iedere deskundigheid...BJZ heeft immers het niveau van 'maatschappelijk / sociaal werkers' en heeft geen enkele academische deskundigheid als bijvoorbeeld een kinderpsycholoog of orthopedagoog dan wel kinderpsychiater. Sterker nog: BJZ houdt vaak onderzoek door deze deskundigen tegen!

    Dus mensen: ageer tegen de nieuwe jeugdzorgwet!

    Nico Mul

    BeantwoordenVerwijderen