vrijdag 18 november 2011

Een waarheidskamer voor kinderrechters

FEITEN OF MENINGEN?

Mr Ir Peter Prinsen

Leiden, 5 februari 2011
Ouders die in het jeugdrecht hun zaak volledig uit de hand zien lopen hebben geen enkele mogelijkheid om dingen recht te zetten. Hun gezin en het leven van hun kind is een nachtmerrie geworden waaraan niet te ontsnappen is, en zelfs àls in een enkel geval de nachtmerrie toch nog eindigt komt het nooit meer goed in hun gezinsleven.
Het is soms een alledaags incident, soms een andere aanleiding waarom Jeugdzorg hun kinderen weghaalt. En àls er een serieuze aanleiding is waarvan de oplossing voor de hand ligt, dan is ieder voorstel voor een plan van aanpak bij Jeugdzorg aan dovemansoren gericht.
Het gebeurt altijd op verraderlijke manier met veel intimidatie, van het ene moment op het andere. Hun kind, dat er niets van begrijpt en in paniek raakt, wordt naar een locatie gebracht die weken tot maanden geheim wordt gehouden. Ter voorbereiding op het eerste contactmoment met de ouders (een week of drie later, een uurtje per 2 weken onder toezicht op het kantoor van Jeugdzorg) wordt het kind belast met een strikte geheimhoudingsplicht zodat de ontmoeting met de ouders al die maanden beladen is met angst voor versprekingen. Na enkele ontmoetingen schrijft Jeugdzorg:

"De bezoekregeling met u roept dusdanig veel spanningen op dat uw dochter angstig is, reden waarom de bezoekregeling voor drie maanden wordt stopgezet".

In een professioneel ogend rapport van Jeugdzorg lezen de ouders als hun kind al enkele weken uit huis is wat zij in de fax van Jeugdzorg aan de kinderrechter ook al hadden zien staan: "jarenlange kindermishandeling" als "hypothese". Maar tot hun verontwaardiging zien zij dat de hypothese zonder onderzoek als vaststaand "feit" in het rapport is vermeld. In een kluwen van volgende rapporten wordt dit "feit" klakkeloos als vaststaand uitgangspunt genomen. Hun advocaat maant zijn cliënten om Jeugdzorg vooral niet tegen te spreken...
Wijzen ouders toch op de onjuistheid van de beschuldigingen dan krijgen zij van Jeugdzorg te horen:

"Daar gaat het niet om in het jeugdrecht. Waarheidsvinding behoort niet tot onze taak".

Wijzen zij erop dat hun kind niets mankeert en het voortreffelijk doet op school, dan lezen zij tot hun verbijstering in een volgend rapport:

"Het kind komt over als een zwaar beschadigd meisje als gevolg van jaren lang huiselijk geweld. Juist het feit dat zij ogenschijnlijk niets mankeert en 'gewoon meedoet op school', zou gezien kunnen worden als zorgelijk. Hieruit blijkt namelijk dat zij al jaren rondloopt met een groot geheim en dit nooit met iemand heeft kunnen delen".

Wijzen zij op de innerlijke tegenstrijdigheid ("Komt over als zwaar beschadigd" versus "mankeert ogenschijnlijk niets"), dan is het antwoord wederom:

"Daar gaat het niet om in het jeugdrecht. Waarheidsvinding is niet onze taak".

Kaarten zij het aan bij de Externe klachtencommissie (voorgezeten door een kinderrechter), dan opent de voorzitter met de woorden:

"Vooraf moet ik u erop wijzen dat het in het jeugdrecht niet gaat om waarheidsvinding".

Klagen zij bij de Raad voor de Kinderbescherming over het klakkeloos overnemen van evidente onzin, dan krijgen zij te horen:

"In het jeugdrecht gaat het niet om waarheidsvinding".

Komen zij bij de kinderrechter, dan opent ook die de zitting (met gesloten deuren!) met de woorden:

"Vooraf moet ik u erop wijzen dat het hier niet gaat om waarheidsvinding".

 

Hoe rechtvaardigt Jeugdzorg het niet aan waarheidsvinding doen?

De Bezwaarschriftencommissie Jeugdzorg daarover:

"Bij de verslaglegging worden de verschillende meningen niet gepresenteerd als feiten maar is sprake van een duidelijke bronvermelding".

Dit is, ook voor zover dat gebeurt, een drogreden. Dit is geen rechtvaardiging voor het presenteren van regelrechte verzinsels. En verder: bronvermelding brengt de waarheid niet dichterbij omdat de bronnen van Jeugdzorg vooral Jeugdzorg zelf is en voor het overige ontoegankelijk zijn:
  • het uithuisgeplaatste kind dat volgens Jeugdzorg steevast zegt de ouders niet meer te willen zien,
  • een collega-jeugdzorger die zijn "hypothese" heeft geformuleerd,
  • een arts of leerkracht die zich heeft laten strikken om wat aandachtspunten te noemen, en nu zelf met een integriteitsprobleem jegens de ouders zit.
  • een ter afdekking telefonisch geraadpleegde psychiater wiens mening gevraagd is maar die het kind of de ouders nimmer heeft gezien.
  • Rapporten van "ketenpartners" die de stellingen van Jeugdzorg voetstoots als uitgangspunt hebben genomen voor hùn onderzoek en rapport.

Moet Bureau Jeugdzorg aan waarheidsvinding doen?

Deze vraag stond centraal in een recente documentaire over Oudernetwerk Jeugdzorg Gelderland van TV Gelderland . De ervaringen van twee gezinnen werden in beeld gebracht.
Moeder 1 zag haar (pleeg)kinderen weggehaald worden omdat zij zich volgens een rapport onttrok aan begeleiding van Jeugdzorg. Maar dat zij niet door Jeugdzorg werd begeleid was geen wonder, want de begeleiding was in handen van Pleegzorg. Jeugdzorg gaf toe dat moeders bezwaar feitelijk gegrond was, maar rekende het niet tot zijn taak om de beschuldiging van onttrekking aan begeleiding uit het rapport te schrappen. "Waarheidsvinding is immers niet onze taak". Gevolg: de kinderen die al 7 jaar door haar werden verzorgd werden op onjuiste grond weggehaald.
Van moeder 2 was het 6-jarige dochtertje in huis ongelukkig ten val gekomen. Behalve deze dramatische gebeurtenis moest het kind ook nog ervaren om uit huis gehaald te worden en in een vreemde omgeving zonder de eigen ouders terecht te komen, vol onzekerheid en zonder te begrijpen waarom. Voor Oudernetwerk Jeugdzorg Gelderland was dit aanleiding om oud-kinderrechter Mr. Quick-Schuijt, vast en zeker getraind in zindelijk denken, uit te nodigen om met een lezing te reageren op de reportage.

Geschoold in de retorica is Quick-Schuijt zeker, maar dan in de retorica van de sofistenschool. Haar lezing is hiernaast weergegeven. Het is een aaneenschakeling van drogredenen met als favoriet de "stropop": verdraai de stelling van je wederpartij en ga die verdraaide stelling bestrijden. Het lijkt dan alsof je gelijk hebt en je wederpartij is sprakeloos. Haar lezing is geanalyseerd op argumentatiefouten en de annotaties zijn met hyperlinks in de tekst van haar lezing aangegeven.
(Een printbare versie met inspringend geinserreerde annotaties is hier beschikbaar).

Feiten en meningen

 

Duidelijk onderscheid maken tussen feiten en meningen is een kwaliteitskenmerk van een professionele organisatie. Meningen moeten gebaseerd zijn op deugdelijk vastgestelde feiten en daaruit logisch voortvloeien. Blijken de feiten later niet te kloppen, dan moet de mening bijgesteld kunnen worden en moeten gevolgen zo goed mogelijk ongedaan gemaakt worden.
Deze wijsheid is voor de weldenkenden onder ons vanzelfsprekend, maar we moeten niet vergeten dat het een verworvenheid is van vier eeuwen Verlichting en filosoferen over methodologie. Ooit was het anders: toen draaide de zon om de aarde en werden heksen verbrand, en wie beweerde dat het anders zat kreeg levenslang huisarrest of belandde zelf op de brandstapel.
Met veel retorische misleiding betoogt Quick-Schuijt in haar lezing dat in het jeugdrecht niet de feiten er toe doen, maar de meningen van de onderzoekers. Daar hebben de jeugdzorgers een term voor bedacht, even suggestief als demagogisch: het "niet-pluis-gevoel".
Dat nu brengt ons terug bij de Inquisitie. En net als toen komt ook de moderne inquisitie handen te kort.

Perfide misbruik van de Savanna-zaak

 

Jeugdzorg schermt ermee dat kinderen in de thuissituatie gevaar kunnen lopen en dat afwending van dat gevaar in het gedrang komt als we hoge eisen gaan stellen aan het bewijs. Daarom moet volgens Jeugdzorg het z.g. "niet-pluis-gevoel" van de jeugdzorgwerker voldoende zijn. Altijd wordt ter rechtvaardiging van deze opvatting de Savanna-zaak (september 2004: meisje kwam om door ondervoeding en bizarre bestraffing door de moeder terwijl een onder toezicht stelling van kracht was) erbij gehaald. Maar die zaak toonde nu juist dat het pluis-of-niet-pluis-gevoel van de jeugdzorgwerker een zeer hachelijke basis is voor beleid in de jeugdzorgcasuïstiek. "Pluis-of-niet-pluis-gevoel" als grond voor handelen of niet handelen leidt tot een onprofessionele cultuur en tot even onprofessionele beslissingen, met in dit geval fataal gevolg. Het getuigt van een perfide houding om juist deze zaak ter verdediging van het niet-pluis-beleid aan te voeren. 

Misbruik van spoedconstructie

 

De niet-pluis-opvatting steunt dan ook niet op de wet. De wet schrijft een degelijke, professionele aanpak voor.
  • Op de eerste plaats kan de kinderrechter een kind onder toezicht stellen (OTS).
Artikel 254 BW (ONDERTOEZICHTSTELLING)
1.Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat
kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.
  • Indien dat noodzakelijk is kan de kinderrechter daarop voortbouwen met een Machtiging UitHuisPlaatsing (UHP).
Artikel 261 BW (UITHUISPLAATSING)
1.Indien dit noodzakelijk is
kan de kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
  • De kinderrechter kan, indien dat "dringend en onverwijld noodzakelijk" is, "hangende het onderzoek de minderjarige Voorlopig Onder Toezicht Stellen" (VOTS).
Artikel 255 BW (VOTS)
De kinderrechter kan
Hij bepaalt de duur van dit voorlopige toezicht op ten hoogste drie maanden en kan de beslissing te allen tijde herroepen.
Als er echt sprake is van een crisissituatie (en alleen dan) creëert die VOTS de bevoegdheid om, zonodig, de rust te herstellen, onderzoek te doen en om "hangende het onderzoek" een oogje in het zeil te houden. N.B.: Aan een UHP zijn we dan nog lang niet toe. Eerst moet het verzoek tot OTS of UHP door de kinderrechter ter zitting worden behandeld op een rechtzitting. Dat moet leiden tot redelijke vorm van bewijs op basis waarvan te zijnertijd een OTS kan worden uitgesproken en, in het ergste geval, een machtiging tot uithuisplaatsing kan worden gegeven. Dat onderzoek dient natuurlijk gericht te zijn op feiten en niet op de vraag of een hulpverlener een "niet-pluis-gevoel" zegt te hebben. Niet voor niets geeft de wet daar een termijn van drie maanden voor.
  • De misbruikte spoedconstructie tijdelijke beschikking
Artikel 800 lid 3 Rv:
De beschikkingen tot [VOTS] en tot machtiging [UHP] alsmede [...] kunnen alleen dan aanstonds worden gegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
Deze beschikkingen verliezen haar kracht na verloop van twee weken etc.

Alleen indien de behandeling niet kan worden afgewacht "zonder onmiddellijk en ernstig gevaar" voor de minderjarige kan de kinderrechter zonder voorafgaand ouderverhoor een tijdelijke beschikking geven. Van deze constructie wordt zeer veel misbruik gemaakt, omdat de kinderrechter toch nooit toetst of er eigenlijk wel sprake is van "onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige".
De gebruikelijke gang van zaken is als volgt: Om lastige discussies te voorkomen worden de ouders, naar aanleiding van een melding of van een incident, opgeroepen om, soms met hun kind, te verschijnen bij rechter, Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdzorg of politiebureau. Eenmaal bij de rechter, Raad, Jeugdzorg of politie krijgen de ouders, die hun kind even hebben moeten achterlaten in de wachtkamer, of dat op dat moment op school zit, te horen dat hun kind op dat moment naar een geheim adres is of wordt gebracht, zonder enige vorm van afscheid van of geruststelling door de ouders.(Meer en meer ouders die hun kind dit trauma willen besparen brengen hun kind in veiligheid alvorens aan de oproep om vrijwillig te verschijnen gehoor te geven). 
Waar de wet spreekt van onderzoek en behandeling van het verzoek, onderzoeken en toetsen de meeste kinderrechters nimmer of zich in werkelijkheid een "onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige" voordeed. In de praktijk is slechts het niet-pluisgevoel van de maatschappelijk werker de grondslag voor een geheime machtiging van de kinderrechter aan Jeugdzorg om het kind weg te halen. Zonder ook maar de minste rechtvaardiging hebben de ouders maanden lang vervolgens geen enkele toegang tot hun kind, dat in trauma verkeert als gevolg van deze "ontvoering". De ouders kunnen geen deskundige inschakelen om weerwoord te leveren op de stellingen van Jeugdzorg, die het zelf toegebrachte trauma van het kind maar wat graag afschildert als bewijs dat er heel wat aan de hand is met het kind. Het is dan ook meestal een illusie om te denken dat ouders bij de uiteindelijke behandeling ter zitting ook maar enige kans maken. 

De mening van anderen

  • Mr.M.J.C. Koens, Raadsheer in het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, in het Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht, Aflevering 2006-5:
    • "In kinderbeschermingszaken is het een overheidsorgaan dat optreedt en een rechterlijke beslissing verzoekt met het oog op de bescherming van kinderen in het kader van hun verzorging en opvoeding door de ouder(s)."
[...]
"De familierechter heeft meer dan de civiele rechter mogelijkheden om door inschakeling van derden op zoek te gaan naar de materiële waarheid [ = "waarheidsvinding", PP]. Dit geldt met name in familiezaken over onderwerpen waarvan de rechtsgevolgen niet ter vrije beoordeling van partijen staan en de belangen van de kinderen in het geding zijn."
[...]
    • "Daar waar dit niet lukt [het bereiken van een minnelijke schikking, P.P.] dient de familierechter actief en leidend - uiteraard binnen de grenzen die het familie(proces)recht hem oplegt - de materiële waarheidsvinding tot uitgangspunt te nemen."
  • De nationale ombudsman: rapport 2011/015 d.d. 31 januari 2011
    • "De stelling van de Raad voor de Kinderbescherming of van Bureau Jeugdzorg dat er niet aan waarheidsvinding wordt gedaan, is geen vrijbrief om de mening van één van de strijdende partijen zonder verifiëring in de rapportages op te nemen. Van instanties als Bureau Jeugdzorg en de Raad wordt een meer actieve houding verwacht. Indien zij een verklaring belangrijk vinden om daarmee een bepaalde beslissing te rechtvaardigen dan moet zoveel mogelijk de ware toedracht worden onderzocht. Alleen de beweringen die getoetst zijn kunnen als feiten in de rapportages worden opgenomen zodat de rechter zich daarover een gemotiveerd oordeel kan vormen."

Maatregelen die niet werken

Hoe bereiken we dat Jeugdzorg en Kinderbescherming ophouden met op grond van oncontroleerbare beweringen kinderen uit huis te halen en ander onheil aan te richten? Remedies die in elk geval bewezen hebben niet te werken zijn:
  • hoger beroep en cassatie,
  • klachtencommissies,
  • Ombudsman,
om de doodeenvoudige reden dat Jeugdzorg overal lak aan blijkt te hebben en daar "mee weg komt".

 

Bewaak de waarheidsvinding: stel een "waarheidskamer" in voor rechters

Het bewaken van de waarheid in het familie- en jeugdrecht is in de democratische rechtsstaat in het systeem der wet een taak en een plicht van de familie- of kinderrechter.
Koens, FJR 2006-5

Achter gesloten deuren verzaken rechters hun plicht.
De problemen zijn inmiddels onhoudbaar. De Brandbrief van de Rotterdamse jeugdrechtadvocaten dateert alweer van december 2008. Er is een nette studiedag op gevolgd en in februari 2010 een rondetafelgesprek met een deels sceptische Commissie Jeugd en Gezin. In de Tweede Kamer klinkt de roep om Jeugdzorg op te heffen. Jeugdzorg vervangen door een organisatie met een nieuwe naam? Centra voor Jeugd en Gezin? Zoals de Voogdijraden vervangen werden door Raden voor de Kinderbescherming omdat er onder de oude naam niet meer gewerkt kon worden? Zoals AMK's en BJZ op hun beurt de gehate Kinderbescherming uit de wind moesten houden?
·In 1954 heette het in de wet tot reorganisatie van de Voogdijraden, in parlementair understatement:
"dat een wijziging van de naam wel wenselijk is, al ware het slechts, omdat de naam "voogdijraad" bij het publiek langzamerhand een minder gunstige klank gekregen heeft, hetgeen aan het werk van de raad niet ten goede komt".
De cynische remedie: de naam ‘Voogdijraden’ werd gewijzigd in ‘Raden voor de Kinderbescherming’.
Dat is niet rationeel, want het leidt alleen maar tot een nieuw orgaan met mensen "met dezelfde mensenstreken".
Alleen rationele maatregelen zijn geëigend om het jeugdrecht gezond te maken. Richt die maatregelen niet alleen op uitvoerders, zoals gezinsvoogden en hun leidinggevenden, maar op die gezagsdragers die in de Rechtsstaat verantwoordelijk zijn voor het respecteren van de waarheid: familie- en kinderrechters. Dwing rechters om verzoeken waarin evident een loopje wordt genomen met de waarheid in beginsel af te wijzen. Dat is het pragmatische aspect van jurisprudentie. Zo "werkt" het Recht.
Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Het rijtje tegen zaaksrechters te richten acties ( wraking , rechtsweigering ) moet daartoe met één worden uitgebreid:
met nog niet zo lang geleden de sanctie:
  • Familie- of kinderrechters die de waarheid niet bewaken moeten voor een in te voeren openbare "waarheidskamer" gebracht kunnen worden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen