Pagina's

maandag 26 mei 2014

Recordaantal klachten over jeugdzorg


Kinderen, ouders, docenten en hulpverleners klagen steeds vaker over jeugdzorg. Het aantal klachten is in tien jaar vertienvoudigd tot ruim vijfhonderd. Tachtig meldingen waren zo ernstig dat de Inspectie Jeugdzorg actie ondernam. Het gaat bijvoorbeeld om aantijgingen van seksueel misbruik of ondermaatse zorg. 



Onenigheid over uithuisplaatsingen, psychiaters die klagen over jeugdinstellingen, ouders met vermoedens van seksueel misbruik door hulpverleners en volop klachten over de kwaliteit van Bureau Jeugdzorg. Daar ploften in 2013 bijna vierhonderd klachten op de mat. Dat blijkt uit het jaarrapport van de Inspectie Jeugdzorg dat gisteren is verschenen.

Het aantal meldingen van ouders en jongeren over Bureau Jeugdzorg is ten opzichte van 2012 toegenomen met 33 procent. Veruit de meeste klachten gaan over de kwaliteit van de zorg, gevolgd door onvrede over omgangsregelingen, onheuse bejegening en vermoedens van seksueel misbruik. Ook het aantal klachten van hulpverleners en leraren over Bureau Jeugdzorg is verdubbeld sinds 2012. Zij vinden de kwaliteit van de zorg onvoldoende en zien problemen in de samenwerking tussen zorgverleners.

Jeugdzorg Nederland erkent dat het aantal klachten is toegenomen. 'Wij hebben geen aanleiding om te denken dat het ligt aan de kwaliteit van de jeugdzorg,' verklaart persvoorlichter Stijn Verbruggen. De brancheorganisatie wijdt de stijging onder meer aan het gemak waarmee klachten gemeld kunnen worden. Ook de toename van het aantal vechtscheidingen is volgens jeugdzorg een verklaring. 'Welke keuze hier ook gemaakt wordt, meestal zal tenminste één van beide ouders dit ervaren als onrechtvaardig.'

Zorgelijk
Mariëlle Bruning, hoogleraar jeugdrecht aan de Universiteit Leiden noemt het stijgende aantal klachten van professionals en ouders 'zorgelijk'. 'Ergernissen die ik vaak tegenkom zijn lange wachtlijsten, gezinsvoogden met te weinig tijd, onvoldoende aangepaste zorg voor probleemkinderen.' Er is volgens haar 'nog veel werk aan de winkel om de kwaliteit op orde te brengen'. Zij krijgt bijval van professor jeugdbescherming aan de Universiteit Utrecht Ido Weijers en de internationale organisatie Defence for Children. Weijers: 'De stijging van het aantal klachten is echt een onderwerp dat grondig uitgezocht moet worden.'

Volgens Bruning is het stijgende aantal klachten het gevolg van onrust in de jeugdzorgsector. Als voorbeeld noemt ze zorginstellingen die onder financiële druk staan en personeel ontslaan, omdat gemeenten geen garanties geven over de zorg die ze gaan inkopen. Vanaf 1 januari 2015 worden gemeenten verantwoordelijk voor de jeugdzorg.

Truus Barendse van Informatiepunt Kinderen Ouders Grootouders (KOG) wijdt de stijging aan een slechte klachtenbehandeling bij individuele zorginstellingen. 'Als mensen na schrijnende gevallen hun beklag doen, worden ze met een kluitje in het riet gestuurd. Instanties zeggen doodleuk dat ze zich niet herkennen in een klacht of ze melden dat het onder de aandacht is. Daarna gebeurt er niks meer mee.'


Incidenten

Het aantal ernstige incidenten liep iets terug (van 130 naar 119).Wel was er een stijging in het aantal zelfmoorden, van één in 2012 naar acht in 2013. Elf jongeren die onder toezicht staan zijn aan een 'niet natuurlijke dood' gestorven. Het aantal aantijgingen van seksueel wangedrag bleef met 59 gevallen onverminderd hoog. Veertien keer werden pleegouders en hulpverleners beschuldigd van ongewenst seksueel gedrag. 

Volgens de Inspectie Jeugdzorg kan het forse aantal meldingen van 'vermoedens' van seksueel wangedrag te maken hebben met meer aandacht voor  misbruik in de jeugdzorg.

Maar hoe vaak dat tot een strafrechtelijk onderzoek heeft geleid, kan de inspectie niet aangeven. 'Het is voor ons ook gissen,' zegt inspectiewoordvoerder Kees Paling. 'En dat is voor ons toch een beetje een manco. Hoe het afloopt, dat houden we allemaal niet bij.'

Lees verder...

zondag 18 mei 2014

Wetenschappelijk ‘meten’ in de jeugdzorg

Ten behoeve van rechters en rechtsprekenden waar het kind centraal dient te staan inclusief diens kind-ouderband....

Wetenschappelijke citaten rond hulpverlening en uithuisplaats-optie t.a.v. jeugdigen:

Reeds eind vorige eeuw werd wetenschappelijk bezien hoe zorg aan jeugd goed ‘gemeten’ kon worden. Dat is zeker bij ingrijpende beslissingen nodig, en de professional dient binnen zijn beroepsethiek open te staan voor alternatieven. 
Communicatie en inhoudelijke, valide uitleg is belangrijk voor vertrouwen en enthousiasmering van de patiënt cq.  cliënt/gezinsdyade.

Zo citeren we:

1979

Dekker-Van der Sande (1979) spitst ‘het doorbreken van de kringloop van problemen’ verder toe. Zij onderzocht de hulpverleningsvoorgeschiedenis van een vijftigtal uithuisgeplaatste kinderen en komt tot de conclusie, dat deze hulpverlening nogal eens tekortschiet in doelgerichtheid, gezinsgerichtheid (niet alleen het kind maar het hele [familie- of] gezinssysteem in de begeleiding betrekken), (zelf)reflexie en initiatief [van de werkers met het gezin]. {Pag. 573 uit: “Uithuisgeplaatst: communicatie en besluitvorming (I)”, E.J. Knoth, P.M. van den Bergh, en J.D. van der Ploeg, Doct. Scrip. Klinische pedagogiek, UU, 1979; in: Tijdschrift voor Orthopedagogiek, XXIII (1984) 560–578}.

“Uit verschillende studies (Haagen e.a., 1983;Van der Laan, 1983; Pohl e.a., 1983) bleek immers, dat het overwegen van alternatieven voor een eenmaal ingebrachte of voorgestelde uithuisplaatsings-oplossing niet gangbaar is. Men heeft er kennelijk moeite mee om een bepaald denkspoor ('in die richting moeten we de oplossing zoeken') te verlaten en andere hulpmogelijkheden in overweging te nemen. En dit in weerwil van het feit, dat er wetenschappelijk maar zeer beperkt kennis bestaat rond de vraag wie of welk probleem het meeste baat vindt bij welke aanpak of oplossing!  Rosenblatt en Mayer (1970), die eenzelfde tendens in de VS waarnemen, kennen aan het hier bedoelde verschijnsel de functie van 'reductie van stress' toe. Het overwegen van uithuisplaatsings-mogelijkheden is naar hun oordeel een stressvol gebeuren [dus niet alleen voor het verwezende kind maar ook voor de jeugdzorgwerker]. Het beschikbaar zijn van vele keuzemogelijkheden maakt de beslissingssituatie zeer complex en spanningsvol.” {Pag. 572 uit: “Uithuisgeplaatst: communicatie en besluitvorming (I)”, E.J. Knoth, P.M. van den Bergh, en J.D. van der Ploeg, Doct. Scrip. Klinische pedagogiek, UU, 1979; in: Tijdschrift voor Orthopedagogiek, XXIII (1984) 560–578}.

Kokervisie

Dat kan kokervisie veroorzaken. Vergelijken we dan de gevolgen van pleegplaatsen, dan volgt uit o.m. de rapportage “Kinderbescherming en kind-effecten: Meten van de effecten van Pleegzorg”, Joseph J. Doyle, Jr., 2007,  MIT Sloan School of Management & NBER, (JEL I38, H75); Forthcoming, American Economic Review op:   

“Een rand-om toewijzingsproces in dit onderzoek wees effectief in willekeurige volgorde families aan t.b.v. deze jeugdzorg-onderzoekers {keuze tussen pleegzorg t/o. hulpverlening thuis}. … 

Die kinderen die in pleegzorg geplaatst zijn, zullen veel waarschijnlijker dan andere kinderen tot misdaden komen, voortijdig school verlaten, verslaafd raken, onder psychische problematiek lijden, of toeleiden tot de daklozen bevolking" (June M. Clausen, John Landsverk, William Ganger, David Chadwick en Alan Litrownik, 1998; e.a. wetenschappers). …

Alhoewel een {vermoedelijk} misbruikende, familiaire omgeving ongetwijfeld schadelijk is voor de ontwikkeling van het kind, kan het uithuisplaatsen van een kind eveneens traumatisch zijn {en dit dient goed afgewogen te worden, het gevolg van de pleegsetting tegenover de hulp bij mogelijk leerbare, biologische ouder(s).} …
Jonson-Reid en Barth (2000a, 200b) bestudeerden 160.000 kinderen in Californië met behulp van administratieve gegevens en vonden gemiddeld lagere kans op delinquentie bij kinderen die thuis bleven, met name degenen die ambulante hulpverlening ontvingen.
Peter M. van den Bergh, docent vakgroep Orthopedagogiek, Rijksuniversiteit Leiden, “Beslist geïnformeerd…? Opnamebesluitvorming in internaten en jeugdhulpverlening”, 1991, ISBN 90-5350-084-7 schrijft: 







Zo stelde prof.dr. Rutger Jan van der Gaag (Radboud Univ.) reeds in 2003 dat in deze ingang tot jeugdhulpverlenings-trajecten (waaronder dwangzorg: OTS, UHP) ‘gemeten’ wordt door “zwaargewichten: Gepleit wordt voor kinder- & jeugdpsychiaters als "diagnostische zwaargewichten" aan de poort die bij de triage helpen om lange, frustrerende hulpverleningsprocessen te voorkomen. Schotten tussen de hulpverleningsprocessen moeten geslecht worden.

"Wat wij de komende jaren zullen moeten doen, is ons beschikbar stellen voor triage aan de poort. Dat wil zeggen als diagnostische zwaargewichten tijd en energie steken in een betere, snellere en meer effectieve selectie aan de poort. Een ambitieus en gedurfd project.  

Het indiceren zou met lager opgeleid personeel kunnen, doch voor ernstiger ingrijpende cases is het zien, onderzoeken, door “diagnostische zwaargewichten” (die overigens beëdigd zijn en werken op medische beroepsethiek)  ten zeerste van belang voor het kind. Ook voor zijn latere ontwikkelingsbelangen is hulp in zijn vertrouwde omgeving {thuis} effectiever. Hij sluit af met o.a.: “Ik wees ook op de consequenties voor de zorgmodellen: "Wij zullen als kinder- & jeugdpsychiaters ons anders moeten positioneren binnen het werkveld van de hulpverlening aan kinderen en jeugdigen: als poortwachters en eindverantwoordelijken in de jeugd-GGz. Om bij de toelating in een vroeg stadium bij te dragen aan een juiste zorg-toebedeling..”

Waar beweerd wordt dat “een kind in de knel” zou zitten, kan spoedige open (integrale) diagnostiek dus veel ellende voorkomen. Daar hoeft geen jaar overheen te gaan. Vaak zijn ouders meer bereid tot leren indien dat door een diagnose gewenst blijkt.

Carlo Schuengel

Zo stelde prof.dr. Carlo Schuengel (10-10-2013, VU, jeugdzorg-academie, http://prezi.com/x_ejjwaojdri/bjaa-academie-jeugdzorg-zonder-dwang-zonder-pics/?utm_campaign=share&utm_medium=copy ) dat dwang in de jeugdzorg het gevaar kent van valkuilen; dwang is een negatieve bekrachtiging dat tegen het “Eigen Kracht-principe” ingaat en ondermijnt werkrelaties.

Een uitspraak van hem op het congres over gehechtheid is: “Wanneer u het kind ter harte gaat, koester dan de ouders”.

In FJR 2012/95 wordt ook beschreven hoe bij bijvoorbeeld therapie voor onveilige gehechtheid juist voor de ouders zelf een belangrijke rol is weggelegd (klin.psych.dr. Anniek Thoomes-Vreugdenhil, noot 3).

Prof.dr. Jo Hermanns heeft in zijn onderzoek in Zeeland bevonden dat het aantal uithuisplaatsingen sterk kan verminderen met 50% tot waarschijnlijk 75% omdat de hulp (op diagnose) vanuit de thuissituatie vaak effectiever is en korter duurt dan de uithuisplaats-cases. Het bevestigt de bevindingen van o.a. Joseph Doyle, voornoemd.

Ook uit adoptiewetenschappelijk onderzoek bleek dat opgegroeiden in hun identiteitsfase (adolescentie en verder) meer problematiek vertonen wanneer zij  Tabel hun biologische familie niet of te weinig kennen. Familiecontacten zijn dus belangrijk, en beter is thuis!





'Helpen bij opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter', Inventgroep w.o. Jo Hermanns, Ferko Öry, Guus Schrijvers; p. 33)*

Hier blijkt dat "Niet gesignaleerd" en "Geen probleem" zijdens diverse partijen van belang zijn bij ‘meten’. Dit duidt dat signalen rond de pleegsetting en die omgeving (van àlle signaalgevers) gewogen dient te worden. Zo dienen ook signalen zijdens de ouders serieus genomen worden en afgewogen.*

Junger-Tas (1983): meetinstrumenten ontbreken in jeugdhulpverlening (zonder diagnostiek).

Knelpunten BJZ -inzet beschreven door een rechter

Uit de Knelpunten in rapportages van BJZ, die raadsheer mr. P. A. J. Th. van Teeffelen van het Hof te ’s Hertogen­bosch (juris­tenblad FJR, 10, 2010, p. 248) herkende, blijkt dit nog een recent probleem, te meer daar de Kinderombudsman (http://www.dekinderombudsman.nl/92/ouders-professionals/publicaties/rapport-is-de-zorg-gegrond/?id=325) eind 2013 ook fouten onderkende in de rapportage van BJZ naar de rechters. Hij somt 3 knelpunten op in de BJZ-inzet, die door de opbouw der stukken voor een rechtsgeleerde al een waar zoekplaatje oplevert, laat staan voor ouders (citaten):

"Om te beginnen met het eerste knelpunt, kinderen worden met een machtiging uit huis geplaatst en vervolgens gebeurt er bij de ouders lange tijd niets. Ouders stellen de vraag wat zij moeten doen om de kinderen weer terug thuis te krijgen en krijgen daarop geen antwoord of worden min of meer met een kluitje in het riet gestuurd. ...

Het tweede knelpunt heeft betrekking op de uit te brengen rapportage. Aan het hof en uiteraard ook aan ouders dient te worden gerapporteerd {o.m.: McMichael-arrest, EHRM, 24-02-1995}. Rapportage van het Bureau Jeugdzorg is in het algemeen niet eenvoudig te lezen. Voor de jaarlijks uit te brengen rapportage schijnt ‘protocol’ te zijn, dat grote  delen van het rapport van de raad letterlijk worden overgenomen en daarvoor, daartussen of daarachter worden de eigen bevindingen van het Bureau Jeugdzorg opgenomen. Het indicatiebesluit en het plan van aanpak zijn in de praktijk grotendeels gelijkluidend en het is soms heel moeilijk te lezen of bepaalde doeleinden nog behaald moeten worden of inmiddels al zijn gerealiseerd. Het komt verder nogal eens voor, dat de rapportage van Bureau Jeugdzorg soms tientallen pagina's lang is en een waar zoekplaatje. Een behoorlijk geschreven verweerschrift van Bureau Jeugdzorg is dan noodzakelijk om een goed beeld te krijgen van de situatie."

"Bepaalde bevindingen van Raad of Bureau, die in het verleden door cliënten met succes zijn aangevochten, blijven regelmatig in de volgende rapportage weer terugkomen.… Ouders stellen de vraag wat zij moeten doen om de kinderen weer terug thuis te krijgen en krijgen daarop geen antwoord of worden min of meer met een kluitje in het riet gestuurd. “Voor cliënten lijkt het in een aantal situaties dan ook een gevecht tegen windmolens in plaats van dat de hulp wordt verleend, waar het allemaal om begonnen is. Het derde knelpunt heeft betrekking op de verantwoordingsplicht van Bureau Jeugdzorg. 

"Het bureau heeft er jegens het hof nogal eens zichtbaar moeite mee zich te verantwoorden. Dat kan gemakkelijk leiden tot irritaties over en weer. Voor het hof is het de kunst om hoffelijk te blijven, ook al heb je soms grote problemen met de wijze waarop door het bureau in het verleden is gewerkt. Doordat er soms in een jaar weinig structureel aan een bepaalde zaak is gewerkt, ontstaat in het vraaggesprek nogal eens een pijnlijke situatie. Het bureau wil dan nogal eens een houding aannemen van: ‘wij weten het beter en u begrijpt niets van ons vak.’..." 

"[Bij BJZ] is er weinig animo tot terugplaatsing. Uiteraard krijgen we als hof regelmatig die situatie ter beoordeling en een fatsoenlijk antwoord op onze vraag naar de inspanningen die worden gedaan om het kind terug te plaatsen bij de ouders krijgen we lang niet altijd”. Omdat ouders regelmatig vragen om ‘waarheidsvinding’ en de vraag stellen wat zij moeten doen om de kinderen weer terug thuis te krijgen en daarop geen antwoord krijgen of min of meer met een kluitje in het riet gestuurd worden, tergt dat bezorgde ouders. … “Onwillekeurig rijst dan de vraag nogal eens: ‘is het bureau er voor de cliënten of zijn de cliënten er voor het bureau?"

Bovenstaande is door een rechter geschreven!

Is therapie thuis mogelijk? Ja! Zowel Joseph Doyle als Jo Hermanns duiden daarop. Bijvoorbeeld bij stoornis rond onveilige gehechtheid (http://www.hechtingsproblemen.nl/nl/behandelvormen):  


Fasetherapie (Anniek Thoomes-Vreugdenhil): Belangrijk bij deze methode is het volgende:

“Bij hechtingsproblematiek is het heel belangrijk geen dwang te gebruiken, dat werkt averechts. Fasetherapie gaat uit van respect voor het kind en wordt pas uitgevoerd als het kind het echt zelf wil. Ook tijdens de behandeling wordt het kind steeds betrokken wat het wel en niet wil/aankan. (Hechten doe je aan je ouders). …

Voor (adoptie- en pleeg)ouders is het leven met een problematisch gehecht kind niet gemakkelijk. In de praktijk van de hulpverlening heb ik voor hen groot respect gekregen, in het bijzonder voor hun inzet en voor het volhouden. … Zowel kind als ouder verdienen een goede behandeling om de problemen te overwinnen en – voor het kind – om ‘gehecht’ in het leven te kunnen staan.  … (boek: Hechtingsproblemen bij kinderen:) In hoofdstuk 5 worden, aan de hand van voorbeelden, de mogelijkheden aangegeven van wat er in de eigen leefsituatie van ouders en kind gedaan kan worden. Dat gebeurt veelal samen met deskundige hulp, maar wel steeds in het besef dat er in het leven van alledag situaties zijn die ouders zelf moeten hanteren. “

Zie verder FJR 2102/95 (pag. 293):

Aanwezigheid van bewijsstukken?

Het verdient aanbeveling om bij een OTS- of UHP-verzoek te letten op de volgende stukken:
Welke stukken bewijzen dat eerst juiste, deskundige hulp is geleverd of, bij verlenging van UHP, er werkelijk diagnostiek is bedreven, en waaruit blijkt dat de ouders de bedreiging zijn? BJZ zelf mag slechts indiceren (doorverwijzen), niet diagnosticeren, en een diagnost maakt zelf een behandelplan;
De aanwezigheid en inhoud van het document met onderzoeksvragen die door Bureau jeugdzorg of Raad voor de Kinderbe­scherming is opgesteld voor de diagnost/specialist; de ondertekening van de ouders voor accoord moet eronder staan. Die onderzoeksvragen willen nogal eens te beperkt en eenzijdig zijn, opgesteld door een sociaal werker of –op z’n best– een gedrags­des­kundige die de cliënt niet zag, dus tegen de beroepsethiek in (of aanvullende onderzoeksvragen van de ouders);
De aanwezigheid van het specialistisch rapport en het behandelplan van deze specialist waaruit eventueel blijkt dat uithuisplaatsen het beste is. 

Conclusie:

Ondanks dat er meer is, om vraagtekens te stellen bij pleegsettingen (zoals de bevindingen van prof. Mary Dossier, 2002, waar pleegkinderen te vaak lijden onder verhoogde cortisol-niveaus en matige hechtingsrepresentatie van pleegouders (http://issuu.com/tjwstrubbe/docs/gehechtheid__diagnostiek_en_jeugdzo , v.a. dia 10), willen we concluderen dat:

-      er dubieuze haken en ogen zitten aan indicaties die leiden tot een beschermingsmaatregel wegens gebrekkige ‘meetmethoden’,
-      er te regelmatig niet vanuit de ontwikkeling van het kind gedacht wordt,
-      er niet alleen psychologische en pedagogische belemmeringen zijn voor het pleegkind doch zelfs fysieke, met latere nadelige gevolgen voor het kind,
-      er (bedreigende) haken en ogen zitten aan pleegsettingen voor de opgroeienden,
-      er ook toekomstige belangen zijn bij het kind (om zijn afkomst goed te ‘kennen’ waaraan BJZ te rigide meewerkt met te korte contacten op een te lage frequentie, en zonder orthopedagogisch toezicht ondanks dat ouders daarom kunnen vragen vanwege de waarheidsvinding’), met name de identiteitsfase,
-      er regelmatig aan signalen van eigen ouders wordt voorbijgegaan,
-      er fouten zitten in de rapportages vanuit BJZ (en de RvdK die dat protocollair overneemt),
-      er signalen vanuit een andere bron dan die van BJZ serieus afgewogen dienen te worden, 
-      er gewogen moet worden tussen gemelde èn niet-gemelde signalen die al dan niet op een probleem duiden of die ontkrachten, waardoor een beweerde grond tot beschermingsonderzoek en -maatregel te dun ijs blijkt te zijn om een huis op te bouwen, bedenkende dat een beschermingsmaatregel een uiterste dient te zijn en als zeer ingrijpend moet worden gezien voor de zich ontwikkelende opgroeiende en voor ouders,
-      er gedragsproblemen zijn die veelal thuis met therapie kunnen verbeteren,
-      er een afweging gemaakt dient te worden tussen de bedreiging die een pleegsetting voor het opgroeiende kind vormt tegenover de mogelijk nog bestaande bedreiging die van de (mogelijk leerzame) ouders zouden kunnen uitgaan en naar BW1:254 lid 1 voldoende ernstig zouden zijn, of tegenover de opheffing van deze bedreiging vanuit de ouders.
*:
“Gegeven de sensitiviteit en specificiteit van de hieronder te bespreken instrumenten en de te verwachten base rate van 2 tot 5% voor ernstige problemen in opvoeding en ontwikkeling (Zeijl et al., 2005) moet men er dus rekening mee houden dat een groot deel van de door de signaleringsinstrumenten aangewezen kinderen en gezinnen geen probleem hebben. Het is daarom onverantwoord om welk ignaleringsinstrument dan ook te gebruiken als enige aanleiding tot een interventie. Niet alleen is interventie dan vaak voor de meeste kinderen en gezinnen overbodig, maar heeft ook negatieve effecten in de zin van stigmatisering en selffulfilling prophecies.

Waar dat mogelijk is dienen signaleringsinstrumenten gebruik te maken van meerdere informatiebronnen: dossierinformatie, informatie van de ouder(s), van het kind of de jongere en van anderen die het kind of de jongere goed kennen (leidsters kinderopvang en peuterspeelzalen, leerkrachten, familie). Uit onderzoek blijkt dat dezelfde vragenlijsten die door verschillende personen worden ingevuld (ouder, kind, leerkracht) doorgaans slechts matig correleren. Dit heeft minder met de (on)betrouwbaarheid van de verschillende informanten te doen dan wel met het gegeven dat er specifieke, niet-overlappende informatie bij de drie bronnen bekend is (Zie: Hoffenaar, P., & Hoeksma, J., Understanding informant disagreement, in press). …”  

Tip voor kinderrechters





Wegings-vragen bij rechtspraak rond jeugdzorg:

Welke signalen zijn er vanuit de jeugdzorg?,

En welke signalen komen vanaf ouders en andere deskundigen?

Welke signalen zijn niet genoemd door de jeugdzorg, verzwegen? Signalen over de    pleegsetting zijn ook belangrijk.

Van wie (welke opleiding) komt het signaal? 

Welke uitleg kan daaraan gegeven worden in relatie tot de ontwikkeling van het kind? Is de melder beëdigd en voldoet deze aan zijn beroepsethiek?

Welke onderzoeksvragen zijn door beide partijen gesteld aan de specialist?

Welke problemen kunnen niet thuis behandeld worden? En waarom niet? 

En welke therapie is gekozen en wel op welke plek, thuis of in pleegsetting?

Welke problemen zijn voldoende “ernstig” om BW1:254 lid 1 daartoe in aanmerking te doen komen? En dan nog de afweging of het kind meer gediend is met een zware maatregel dan met toewijzing van deskundige hulp thuis (prof.dr. Jo Hermanns; http://www.swpbook.com/1481#.U3YIcihActR met Youtube, zoals http://www.youtube.com/watch?v=F6Dthj9XBLU ).

Hoe werkt de maatregel in het kind? Welk alternatief is er, dat voordeliger is voor de opgroeiende?

In de hoop dat hiermee fouten en knelpunten verminderd worden, ten behoeve van het welbevinden van het integrale kind.

T. Strubbe